De Tuin met de witgeverfde deuren

Sinds een paar jaar schrijf ik korte verhalen die eerder verschenen op het internet en sinds kort weer terug zijn op het web en wel op mijn Tumblr, die dienst doet als blog. Ze zullen vaker hier te vinden zijn.

11 dec 2008, 21:50

 

De tuin met de wit geverfde deuren

 

Het ligt midden in de stad.

Een vijfenzeventig vierkante meter rust in een zee van verkeer en menselijke drukte.

Als een cocon afgesloten door andere herenhuizen.

Vanuit de huiskamer achter de twee door ons gewitte tuindeuren, ligt het terras met het zwarte gietijzeren tuinmeubilair.

Jouw kruidenhoekje met de peterselie, laurier en oregano, die zo heerlijk geurde op warme zomeravonden.

In het midden van de tuin, onze appelboom met het bordje eronder wat je schilderde met onze namen erop en die tekst die je zelf bedacht had.

De ficus, rododendron, de vlinderstruik.

Jouw klaprozen en papavers, mijn afrikaantjes en nachtschade.

Onze rozenstruik en passiebloem.

Van ons.

Ons.

 

Die late nazomeravonden met rode wijn en kaas op het terras en tot ‘s avonds laat dromen over hoe we er later bij zouden zitten.

Jij met je knieën tegen je borst en je rode fleecedekentje om je heen geslagen, terwijl ik probeerde dat bescheiden vuurtje levende te houden in de schaal.

Je was zo mooi in het licht van de vlammen.

Ik krijg een glimlach op mijn gezicht als ik denk aan hoe je kon genieten van dat soort avonden.

Hoe we ‘s avonds samen stiekem gluurden naar de egels die over het grasveld struinden op zoek naar insecten, onder toeziend oog van de uil die in de stronk achterin woonde, naast het vijvertje met de kikkers.

Die ogen van je als je ze ontdekte in de tuin, als hun friemelende lichamen in het licht van de vuurkorf lange schaduwen wierpen over het gazon.

 

Andere tijden…

Ik neem een laatste trek en gooi mijn sigaret tussen de brandnetels en de berenklauw.

Want dat alles was nog voordat je interesses ergens anders naartoe gingen.

Ik schuif de roestende stoel aan onder de tafel waar het blad van mist.

Ik had misschien niet zo hard op dat ding moeten slaan die avond.

Die avond dat je wegging.

Hij brak zo in twee.

Ik pak mijn glas whisky en groet de appelboom in het midden van de tuin.

Onze appelboom.

Ik hoor hem bijna kreunen onder die dikke laag mos.

Het bordje met onze namen onleesbaar door het groen wat er overheen gegroeid is.

Klimop overal.

Zelfs over het tuinmeubilair.

De tuin ruikt naar rottend vochtig blad en naar allerlei schimmels.

Het vijvertje achterin leeggegeten door vogels en ligt vol met bladeren.

Het houten bankje ernaast is gaan rotten en mist een aantal plankjes.

Daaronder staat een monnikskap, precies waar ik altijd zat als we vrienden op bezoek hadden en nog even in de zon wilde zitten.

Typisch.

Het gras is overal te hoog en op het terras probeert op verschillende plaatsen een weegbree zich door het steen te breken.

De verf op de tuindeuren is triestig aan het afbladderen.

 

Het bezoek klaagt altijd dat ik zo’n tuin laat verpieteren.

Of dat dit iets zal helpen en dat het nu al lang genoeg geleden is om er nog verdriet over te hebben.

Wat voor zin dit heeft.

Wraak?

Nee.

Een tuin heeft liefde nodig.

In een huis waar dat niet meer bestaat, zal ook de tuin die pijn voelen.

Vier jaar.

Geen anderen die de eenzaamheid konden verdrijven, sommigen die het erger maakten.

“Apathisch kreng”, zeg ik hardop.

Een kraai vliegt op vanuit wat ooit een rododendron was.

Ik schrik ervan en kijk hem na, als hij wegvliegt in de nacht.

Een diepe zucht en een laatste slok.

Dat was het dan.

Weer een jaar voorbij.

Met oud en nieuw toosten mijn vrienden op een beter jaar vol geluk en nog een hoop onzin.

Ik hou me dan stil.

Wetend hoe het gaat uitpakken.

Want je best doen heeft geen zin meer.

Aardig en gezellig zijn wordt niet meer gewaardeerd.

Jammer.

De tuin heeft zich wel aangepast aan de tijd.

Gewoon doorgaan en zich verweren.

Wachten op een einde.

Of een verandering.

Verandering…

 

De tuindeuren piepen als ik ze achter mij dichtdoe.

Tot de volgende.

Tot morgen.